Telefoon WKZ 088 75 555 55

Anesthesie bij onderzoek

Narcose, verdoving

Anesthesie is geen onderzoek, maar een belangrijk hulpmiddel bij operaties of onderzoeken. Een ander woord voor anesthesie is narcose of verdoving. Anesthesie zorgt ervoor dat je niets merkt of voelt van een onderzoek of ingreep. Er zijn verschillende soorten anesthesie. Algehele anesthesie. Dat betekent dat je helemaal in slaap bent. Plaatselijke anesthesie. Daarbij wordt alleen een bepaald lichaamsdeel, zoals een arm, been of rug in slaap gebracht, zodat je op die plek niets meer voelt. Je bent zelf gewoon wakker.

De dokter die zorgt voor de anesthesie heet de anesthesioloog. Voor het gemak noemen wij hem steeds de slaapdokter. Hij zorgt er onder andere voor dat je ademhaling, je bloedsomloop en andere belangrijke lichaamsfuncties gewoon doorgaan. De slaapdokter past heel goed op jou als je slaapt. Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor de anesthesie.

Als je erg tegen de anesthesie opziet of er veel vragen over hebt, is het goed dit met de slaapdokter te bespreken. Van tevoren komt hij even bij je langs. Waarschijnlijk kan hij je wel geruststellen en je vragen beantwoorden.

Een tijdje voordat je anesthesie krijgt, mag je niets meer eten of drinken. Van de dokter of de verpleegkundige hoor je precies wanneer je voor het laatst iets mag hebben. Tot ongeveer twee uur voor de anesthesie mag je nog wel een beetje water, thee of appelsap drinken. Eet of drink niet stiekem toch wat anders, want dan kun je later misselijk worden van de anesthesie.

Soms krijg je kort voordat je anesthesie krijgt alvast een klein pilletje waar je een beetje slaperig van wordt.

Vervolgens word je in een bed naar de operatiekamer gebracht. Je vader of moeder mag met je mee naar de operatiekamer, samen met een pedagogisch medewerker. Op de operatiekamer krijg je plakkertjes op je borst waarmee jouw hartslag in de gaten wordt gehouden. Ook wordt er een klein rood lampje om je vinger of teen gedaan. Met behulp van dit lampje wordt de zuurstof in je bloed gemeten. Dat is belangrijk om te controleren of je bloedsomloop goed blijft werken.

Als alles klaar is, is het tijd om je in slaap te brengen. Dit kan op twee manieren:

1. met een kapje op je neus

Je krijgt een kapje, een soort maskertje, over je neus en mond. Daar komt een luchtje uit. Door het luchtje diep in te ademen, val je langzaam in slaap. Misschien vind je het vervelend om in een kapje te ademen. Het luchtje stinkt een beetje.

2. met een prik in je arm

Je hoeft zelf niks te doen om in slaap te vallen. De slaapdokter spuit een klein beetje vloeistof in je arm en voor je het weet, slaap je. Je krijgt van tevoren dus wel een prik in je arm.

Je mag zelf aangeven hoe jij het liefst in slaap wordt gebracht.

Zodra je goed in slaapt bent, krijg je een klein buisje in je keel waarmee de slaapdokter jouw ademhaling kan regelen met een apparaat. Je hoeft dan dus even niet zelf te ademen. Als jij wakker wordt, is het buisje er alweer uitgehaald.

Als de operatie of het onderzoek achter de rug is, zorgt de slaapdokter ervoor dat je snel weer wakker wordt. Hij stopt dan met het toedienen van de slaapmedicijnen.

Je bent misschien nog wel een beetje suf als je wakker wordt. Of je voelt je een beetje misselijk. Meestal gaat dat snel weer over. Zodra je goed wakker bent en zin hebt om iets te eten of drinken, mag dat weer. Het kan zijn dat je keel een beetje pijn doet. Dit komt doordat het buisje in je keel heeft gezeten. Dat vervelende gevoel gaat gauw weer over. Het helpt meestal wel als je een ijsje of een dropje eet. (Heb je meteen een goede reden om lekker iets te snoepen!)

Na het onderzoek blijf je voor de zekerheid nog een poosje op een rustige ziekenhuiskamer, vlakbij de operatiekamer. Als je je weer helemaal goed voelt, mag je weer terug naar je kamer.

Wilhelmina Kinderziekenhuis