Telefoon WKZ 088 75 555 55

De plasles

De medicijnen van Roos hebben niet genoeg geholpen. Ze heeft nog steeds problemen met haar blaas. Daarom besluit de dokter om haar op plasles te sturen. Dan kan Roos leren om goed te plassen.

Je kunt zowel thuis als in het ziekenhuis op plasles.

Thuis op plasles

Eerst vertelt een therapeute je precies hoe je moet plassen, wanneer je moet plassen en hoe vaak. Ze vertelt wat een goede plashouding is. Ze legt ook heel goed uit hoe je dat allemaal kunt oefenen. Ze legt uit hoe de blaas werkt en hoe je het beste de seintjes van je blaas kunt voelen. Het is ook belangrijk om zelf te weten hoe vaak je plast. Thuis ga je dat bijhouden op een speciale lijst. Je moet er eigenlijk een soort wedstrijd van maken.

Er zijn drie dingen belangrijk om te leren:

  1. je leert hoe je moet plassen
  2. je leert wanneer je moet plassen
  3. je leert hoe vaak je moet plassen

Daarna ga je naar huis. Je krijgt allerlei opdrachten mee. Tussendoor kun je bellen met de therapeute. Na twee of drie maanden kom je dan weer terug in het ziekenhuis. Daar praat je met de therapeute over hoe de training gegaan is. Op de speciale wc, de flowmeter, kun je controleren of je beter bent gaan plassen. De therapeute kijkt ook met het echo apparaat of je blaas leeg is. Als het thuis te moeilijk voor je is, kun je altijd nog naar de plasklas in het ziekenhuis. Je blijft een paar dagen om samen met andere kinderen en met behulp van de therapeute te leren goed te plassen. De therapeute bespreekt natuurlijk eerst met jou en je ouders of je dat ook wilt. Het is heel belangrijk dat je zelf meewerkt. Dan ben je er het snelste van af.

In het ziekenhuis op plasles: de plasklas

De plasklas duurt tien dagen. Hij begint op maandag en eindigt op woensdag de week daarop. In het weekend ga je lekker naar huis. Je moet dan natuurlijk thuis wel blijven oefenen.Je traint in het ziekenhuis samen met een ander jongetje of meisje van je leeftijd.

Iedere keer als je moet plassen, plas je op een speciale wc, de flowmeter. Die meet precies hoe je plast en hoeveel je plast. Je kunt zelf controleren of je goed plast en je kunt een paar keer per dag oefenen om mooi in een straal te plassen. Je ziet dan op het beeldscherm of je mooi in een boogje hebt geplast.

Als je af en toe nat bent, krijg je een speciaal broekje waaraan draadjes zitten en een klein kastje. Wanneer het broekje een beetje nat wordt, gaat het kastje piepen en weet je dat het mis is gegaan. Je probeert natuurlijk de pieper voor te blijven door heel goed op te letten wat je voelt. De pieper draag je alleen in het ziekenhuis en niet thuis.

Als je geplast hebt schrijf je dat op een speciale lijst zodat je aan het einde van de dag precies weet hoeveel keren je naar de wc bent geweest. Het handige is dat je in het ziekenhuis heel veel tijd hebt om te leren hoe het moet en om te oefenen.

Aan het eind heb je samen met je ouders een gesprek met de therapeute over hoe het is gegaan en hoe je thuis verder kunt gaan met het trainen. Je oefent nog een paar weken thuis. De therapeute belt je regelmatig op om te horen hoe het gaat.

Na 3 maanden kom je nog een keer naar het ziekenhuis om te vertellen hoe het gaat. De meeste kinderen kunnen daarna hun plas beter ophouden, zij plassen beter uit waardoor ze geen blaasontstekingen meer hebben en de medicijnen niet meer nodig zijn.

Een goede plashouding

Als je op de wc zit, denk aan:

  • rechtop zitten, voeten op de grond of op een krukje
  • buik slap houden
  • wachten tot de plas komt (dus niet persen)
  • in één keer leeg plassen (luister of de plas in één keer komt)
  • tijdens het plassen zachtjes uitblazen of neuriën

Dit moet je een heleboel dagen oefenen voordat het lukt om in een mooie straal te plassen.

Wilhelmina Kinderziekenhuis